• Xanter, de financieel planner
  • Xanter, de financieel planner
  • Xanter, de financieel planner

Minder pensioenopbouw vanaf 2015

In juni heeft de 1e Kamer een wetsvoorstel aangenomen om de toekomstige pensioenopbouw te verlagen: het Witteveenkader. Dit heeft consequenties voor werknemers, zelfstandig ondernemers en DGA’s.

Voor middelloonregelingen (defined benefits) wordt het jaarlijkse opbouwpercentage verlaagd van 2,15% naar 1,875%.  Hiermee kan in 40 jaar een pensioen worden opgebouwd van 75% van het gemiddelde inkomen. Voor eindloonregelingen geldt een verlaging van 1,9% naar 1,657%. Hiermee bouwt u in 40 jaar een pensioen op van 66% van het laatstverdiende loon. De nieuwe regels vertalen zich ook in lagere premiestaffels voor de beschikbare premie regeling (defined contribution).

Daarnaast wordt een aftopping van het pensioengevend inkomen op € 100.000 ingevoerd. Voor mensen met hogere inkomens, wordt het mogelijk om op vrijwillige basis fiscaal-vriendelijk bij te sparen uit het nettoloon (netto lijfrente/netto pensioen). Omdat ook het nabestaandenpensioen hierdoor wordt geraakt, is een extra regeling daarvoor ook mogelijk.

Wat een werkgever kan doen voor werknemers die meer dan € 100.000 verdienen

Werkgevers kunnen faciliteiten aanbieden om die werknemers de mogelijkheid te bieden extra pensioen op te bouwen. Belangrijk verschil met gewone pensioenpremies is dat de premies uit het nettoloon worden betaald. Zij zijn niet aftrekbaar via de aangifte inkomstenbelasting.

De premies zijn leeftijdsafhankelijk, net als in een beschikbare premieregeling. Tijdens de looptijd is de waarde van deze netto aanspraak vrijgesteld in box 3. Het is verplicht om een beleggingsverzekering af te sluiten. Als de basisregeling ook verplicht is gesteld, moet de werkgever verplicht ‘netto pensioen’ aanbieden aan genoemde werknemers. Dit is meestal het geval.

Deelname is voor de werknemer op vrijwillige basis. De werkgever moet tenminste 10% van de premie bijdragen als het bij een pensioenfonds wordt ondergebracht. De netto lijfrente is gewoon pensioen in de zin van de Pensioenwet (PW) en kan zowel door banken, verzekeraars als pensioenfondsen worden uitgevoerd. Om de verlaging van het nabestaandenpensioen te compenseren, kunt u een nabestaandenlijfrente – of soortgelijke uitkeringsvorm – verzekeren.

Ook minder opbouw met banksparen/lijfrenteverzekeringen

Minder pensioenopbouw betekent ook minder opbouw in de lijfrentesfeer. Dit raakt de bancaire of verzekerde lijfrente, die zelfstandig ondernemers hebben en ook veel werknemers (ter aanvulling op hun pensioenregeling).

De jaarruimte voor de vaststelling van de premieaftrek voor lijfrenten in box 1 wordt beperkt. Hierdoor verandert ook de formule voor de berekening van de jaarruimte. Het maximumpremiepercentage bedraagt 13,8% (2014: 15,5%), de maximumpremiegrondslag wordt ook afgetopt op een pensioengevend inkomen van € 100.000 (vóór toepassing franchise).

Voor inkomens boven de € 100.000 wordt een (vrijwillige) spaarfaciliteit ingevoerd. Deze spaarfaciliteit wordt ‘netto lijfrente’ genoemd. De waarde van deze nieuwe spaarfaciliteit is vrijgesteld in box 3. Dat betekent dat u geen 1,2% vermogensrendementsheffing betaalt. De toekomstige uitkeringen zijn dan ook niet belast in box 1. Bij ‘onregelmatige’ handelingen met de netto lijfrente, zoals afkoop of vervreemding, vervalt de vrijstelling in box 3 voor de volledige aanspraak. Het genoten box 3-voordeel wordt dan forfaitair teruggenomen. Dit moet nog verder worden uitgewerkt in een wetsvoorstel.

In de lijfrentesfeer is een werkgever niet verplicht een bijdrage te leveren, maar het mag wel. In tegenstelling tot netto pensioen is hier geen informatieplicht volgens de PW. Het is puur een privéaangelegenheid.